Dilliès pleit voor meertaligheid en ironiseert zijn tekortkomingen in het Nederlands

24 feb 2026 | Nieuws | 0 Reacties

Rate this post

Boris Dilliès en de uitdaging van tweetaligheid in Brussel: van ironie naar pragmatisme

In zijn eerste toespraak als minister-president van het Brussels Gewest koos Boris Dilliès voor een zelfspottende manier om te reageren op kritiek over zijn beheersing van het Nederlands. Met “We zullen zien” probeerde hij de controverse te bezweren. Maar achter de grap schuilt een belangrijke kwestie: het garanderen van gelijke toegang tot openbare diensten in het Frans en het Nederlands.

Een vleugje humor om de controverse te bezweren

Toen Boris Dilliès eerder deze week in het Nederlands werd gevraagd naar de prioriteiten van zijn regering, antwoordde hij laconiek: “We zullen zien”. Deze taalkundige pirouette, die “we zullen zien” betekent, verwijst naar zijn tekortkomingen in het Nederlands die hij tijdens zijn beëdigingsceremonie onthulde. Praktisch gezien dient zelfspot als een politiek schild: het vermenselijkt de minister-president en verlicht de druk van de media. Voor sommige waarnemers kan deze ironische invalshoek echter een kwestie van institutionele competentie bagatelliseren. De ironie van Dilliès doet denken aan de aanpak van sommige buitenlandse leiders, zoals die in Zwitserland en Canada, waar humor soms wordt gebruikt om kritiek op tweetaligheid tegen te houden. Maar is ironie genoeg om de taalkundige spanningen in Brussel op de lange termijn te verminderen?

Brussel, een taalkundig kruispunt en historische kwesties

Sinds zijn oprichting is Brussel een officieel tweetalig gewest, waar het Frans overheerst maar het Nederlands de officiële taal blijft. Deze dualiteit weerspiegelt de spanningen tussen de Belgisch-Belgische gemeenschappen, een erfenis van de historische scheiding tussen Walen en Vlamingen. In Brussel verklaart minder dan 10% van de bevolking Nederlands als moedertaal, terwijl Frans de meerderheidstaal is. Toch zijn de debatten over de talenkennis van hun verkozen vertegenwoordigers een sterke symbolische markering. Voor velen moet een Brusselse minister-president beide talen beheersen om de gelijkheid van de gemeenschappen te belichamen. In de praktijk wordt deze vereiste soms als te rigide beschouwd, terwijl anderen benadrukken dat het de basis vormt voor een rechtvaardige politieke vertegenwoordiging.

Lire aussi :  Brusselse regering: Les Engagés verlaten de MR-route

Toegankelijkheid en gelijkheid: de belangrijkste eisen

Naast de controverse over de gesproken taal, is het de toegang tot openbare diensten die zorgen baart. Voor Boris Dilliès is “voor de Brusselaars de toegang tot openbare diensten in hun eigen taal een fundamenteel recht”. Concreet betekent dit lokale overheden, OCMW’s, ziekenhuizen en scholen. Nederlandstalige burgers en verenigingen klagen echter nog steeds over eentalige formulieren en een overwegend Franstalig onthaal. Op lange termijn kunnen deze ongelijkheden het gevoel van uitsluiting bij een deel van de bevolking versterken. Op het terrein beginnen pilootinitiatieven diensten aan te bieden in het Nederlands en het Engels, maar er is nog een lange weg af te leggen voordat deze praktijk wijdverspreid wordt. Daarom moet de regering van Dilliès haar visie op meertaligheid in daden omzetten.

Tussen kritiek en steun: het debat over taalvaardigheid

De reacties op de verklaring van Boris Dilliès waren gemengd. In Brussel vond minister Elke Van Den Brandt de niet-taligheid van haar collega “storend” en zei dat een regionale leider het goede voorbeeld zou moeten geven. Aan de andere kant prezen een aantal Franstalige volksvertegenwoordigers de politieke nederigheid van de minister-president en zijn inzet om de taalregelingen binnen regeringsdepartementen te versterken. Voorstanders van pragmatisme wijzen erop dat de kwaliteit van een regering niet beperkt is tot individuele perfectie, maar tot haar vermogen om in te spelen op de werkelijke behoeften van haar burgers. In andere tweetalige regio’s, zoals Quebec of het kanton Bern, vertonen ambtenaren soms een middelmatig niveau in de tweede taal, zonder dat dit ten koste gaat van hun doeltreffendheid.

Lire aussi :  Molenbeek: wanneer een culturele droom verandert in een budgettaire nachtmerrie

Afgezien van de ironie, wat zijn de vooruitzichten voor meertaligheid in Brussel?

Aan de basis van deze controverse ligt de vraag: zal Boris Dilliès echt vooruitgang boeken in het Nederlands? Een aantal Brusselaars wachten af of deze zelfspot zal leiden tot een concrete inspanning, met intensieve cursussen of meer samenwerking met Nederlandstalige diensten. Bovendien telt de regering twee Brusselse burgemeesters onder haar leden, een coöptatie bedoeld om de band met de Vlaamse gemeenten in de regio te versterken. Op lange termijn zal de stabiliteit van de regering-Dilliès zeker afhangen van haar vermogen om dit taalaspect te beheren zonder in karikaturen te vervallen. Om meertaligheid in de praktijk te brengen, moeten ambtenaren worden opgeleid, officiële documenten systematisch worden vertaald en moet er transparant tweetalig worden gecommuniceerd. Als deze maatregelen gepaard gaan met een echte openheid voor taalkundige diversiteit, kan Brussel een historische uitdaging omzetten in een strategisch voordeel.

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Verwante artikelen